Author(s): F. Doorschot
In de grijze oudheid maakten de mensen producten vrijwel uitsluitend voor eigen gebruik. Toen iemand op het idee kwam om ook producten te gaan maken voor anderen ontstond er meteen het probleem van de prijsbepaling. Toen de geproduceerde aantallen nog klein waren zal dat niet zo’n
probleem geweest zijn. De maker van de producten wist precies wat hem de materialen gekost hadden en wist hoelang hij aan het specifieke product had gewerkt. Daarnaast werkte hij natuurlijk niet voor niks en dus rekende hij iets meer zodat hij zich van een bestaan verzekerde. Het kenmerkende
was dat de maker direct betrokken was bij de verkoop.
Natuurlijk zullen er wel eens problemen zijn geweest, maar kennelijk heeft men die steeds redelijk op kunnen lossen.
Dit veranderde drastisch toen de seriegrootten c.q. de omvang van de geproduceerde producten groter werd. De maker van de producten was niet meer in staat om de verkoop
zelf te doen, iemand anders werd er voor ingehuurd al dan niet uit de familie. Het maken en het verkopen werden van elkaar gescheiden.
Als de seriegroottes nog groter worden is het ook niet meer mogelijk om de verkoop te doen vanuit het productiecentrum en nu wordt het maken en het verkopen ook nog geografisch van elkaar gescheiden.
Waarschijnlijk is dit de grootste stommiteit geweest die men in het verleden heeft gemaakt. Zo een twee drie is het niet helemaal duidelijk hoe dit anders had gekund, maar op dit moment is wel duidelijk dat de scheiding tot vreemde toestanden leidt.









